Sinds wanneer is ‘normaal doen’ de norm in Amsterdam?

Sinds wanneer is ‘normaal doen’ de norm in Amsterdam?

Amsterdam – Deel 1 van 3

Sinds wanneer is ‘normaal doen’ de norm in Amsterdam?

Amsterdam, 1979. Het is nagenoeg een zonnige dag. Amsterdam leeft op straat. Op de Zeedijk fluit een dame van lichte zeden twee agenten na die langs lopen. Het is erg lastig om haar leeftijd te schatten maar aan haar huid te zien kan ze niet jonger zijn dan zestig. Of misschien wel, al tekenen de jaren haar. En eigenlijk geeft haar kleding haar ook weg. Met een sigaret in haar mondhoek slist ze iets onzinnigs naar de agenten, waarschijnlijk omdat ze haar niet netjes gedag zeggen zoals ze gewoonlijk alle dagen doen. Haar aanstelleritis werkt, want de agenten draaien zich om en fluiten terug. Ze hadden er ook voor kunnen kiezen om beledigd te zijn, maar dat waren ze niet.
Op de wallen is het leven makkelijk en zwaar tegelijk. Prostituees staan op straat te tippelen. Het heeft iets aangenamers dan hetzelfde beeld achter glas te zien. De straten zijn gevuld met echte Amsterdammers en iedereen is luidruchtig. Een excentriek homo-stel gekleed in zwart leer loopt hand in hand en staat stil om elkaar uitgebreid te tongen op de brug van de Oudezijds Kolk. Een groepje kinderen rent lachend en schreeuwend langs en ze zien er vies uit, maar ook gelukkig. Wat opvalt is dat er zoveel kinderen op straat spelen.
Op de een of andere manier voelt het leven niet gehaast, ook al gebeurt alles tegelijk. Krakers, hippies, frequente café bezoekers, buurvrouwen; iedereen in de buurt zou het hun buurt noemen. Hun Amsterdam.
In de avonden hebben sommigen niks op straat te zoeken en anderen leven ervoor. Iedereen is zo mooi, zelfs de lelijke mensen, vanwege hun expressie en authenticiteit. ’s Avonds kleedt men zich echt aan voor de nacht, alsof ze haar moeten verleiden. Gekleed in pailletten, pruiken, hakken, leer, verf, glitters, of in helemaal niets, mannen en vrouwen en alles dat er tussenin zit, krijgen hun eigen podium. Want zo kende Amsterdam ons en ons Amsterdam, in 1979.

Het podium heb ik nooit gekend, behalve van de verhalen van mijn moeder. Ze vertelt hoe ze zich aankleedde om te gaan dansen in de COC en daarna in de RoXY. Haar beste vriend, Theo van Gogh, woonde met mijn moeder op de Brouwersgracht in zijn atelier. Naast hen woonde een tandarts die welteverstaan een gaatje in zijn eigen voorhoofd had geboord om altijd high te kunnen zijn. Theo’s vriendin, Julia, noemde zichzelf levende kunst. Ze droeg geen kleding, maar witte lakens die ze als gewaden over zichzelf heen drappeerde. Ze liep op Japanse plateauzolen en had altijd vuurrode lippenstift op. Julia was de dochter van de uitvinder van het opklapbed. “Als ik ontrouw ben geweest, ruikt ze het van vijfhonderd meter afstand” grapte Theo altijd,- al was het geen grapje.

Ik weet zeker dat ze de helft van de verhalen met liefde in haar hart voor zich houdt wanneer ze zegt dat die jaren zeventig en tachtig niet meer zijn. Hebben we de tolerantie ingeruild voor burgelijkheid dan? Is burgelijkheid misschien een ander woord voor bekrompenheid? Zou ik als jonge vrouw vandaag ongestraft kunnen feesten en denken en doen als mijn moeder vroeger? En zou mijn beste vriend vandaag ongestraft kunnen feesten en denken en doen zoals Theo?

Ik ben geboren in de Jordaan, als dochter van een feministische, hippie, links elitaire actrice/ vrouwen-psychotherapeut/ en activiste. Er was echt helemaal niets normaal aan onze opvoeding en onze familie dus ‘normaal doen’ heb ik nooit begrepen. Wanneer is ‘normaal doen’ eigenlijk geïntroduceerd in onze taal, in onze cultuur? Leef ik in de illusie dat Amsterdam vroeger vrijer was omdat alles van vroeger geromantiseerd kan worden, of heeft er een paradigma shift plaatsgevonden die ervoor gezorgd heeft dat onze stad niet meer die is die wereldwijd bekend stond als de gay capitol, de stad waar hoeren eigen baas waren, de stad waar alles gedoogd werd zolang je er niemand mee lastig viel, de stad waar je als man in een jurk over straat kon lopen, de stad waar anders zijn gelijk was aan al het andere.

Ergens tussen mijn geboorte en nu moet het ‘normaal doen’ erin geslopen zijn. Ik heb het meegemaakt, al kan ik het me niet herinneren. Wilden we dan zo graag Nederlands nuchter zijn dat we allemaal op een vespa zijn gaan rijden en de vrijmibo hebben bedacht? Waar zijn de leuzen en spreuken op de muren in de Spuistraat te lezen die ons vertelden dat we anarchisten mogen zijn? Dat we de liefde moeten bedrijven en geen oorlog moeten maken. Dat vandaag de eerste dag van de rest van ons leven is. Dat vechten voor vrede hetzelfde is als neuken voor maagdelijkheid.

Hysterisch. “Aan hysterie lijdend.” “Overdreven opgewonden.” Aanvankelijk een beschrijving van vrouwen in de vorige eeuw en tegenwoordig in de volksmond gebruikt om iemand te beschijven die we niet normaal vinden. Dat kan een vrouw zijn, of een homo of een excentriekeling, of iemand die geen vespa rijdt en pak draagt misschien. Zonder er zelf bij geweest te zijn, durf ik te zeggen dat excentriek en hysterisch in de jaren zeventig en tachig normaler was. En zelfs als die uitspraak niet helemaal klopt, heeft de stad Amsterdam iets over zich heen dat mij in die uitspraak doet geloven. “Zouden we allemaal godverdomme niet wat minder saai

kunnen zijn” zou Theo gezegd hebben. Of is de bekrompenheid een onoverkomelijk gevolg van niet alleen de mensen in Amsterdam maar ook het stadsbeleid?

De jaren tachtig en negentig stonden in het teken van het opschonen van de stad en het herstellen van de lokale economie. Amsterdam kreeg de Zuidas en het centrum werd aangepakt. Subculturen zoals de krakersbeweging en het extravagante nachtleven zouden niet echt meer zijn en de huizenmarkt zou ongekend stijgen waardoor het centrum van de vrijmibo-yuppen zou worden. Is dat geschetste beeld misschien te zwart-wit? Of is in het uitgelichte het contrast beter te herkennen?

Mijn moeder vertelt me over de Nieuwmarkt rellen die het einde zouden zijn van haar jonge avontuurlijke en bijzondere jaren. Dat de binnenstad in opstand kwam tegen de verzuring van de gemeente. In de avond, na een dag protesteren, belde mijn moeder iedereen om te vertellen waar de volgende dag de rellen zouden zijn zodat ze elkaar daar zouden ontmoeten. Want de stad mocht niet toegeven aan de verburgelijking. “Opeens stond ik met een steen in mijn handen” zegt mijn moeder. Mijn grootmoeder smeerde ook de broterhammen voor de lui die voor hun idealen en liefde voor de stad opkwamen. Want ongeacht de subcultuur waar je toebehoorde, iedereen kon elkaar vinden in de gedeelde liefde voor hun Amsterdam.

Zijn we haar dan kwijt of is ze gewoon groot geworden? Hebben we er misschien iets minder bijzonder maar wel beter voor teruggekregen? Ik wil alle verhalen horen over toen want ik smacht naar vrijheid en openheid en warmte en liefde. Misschien smacht ik bovenal wel naar een generatie die meer is dan die van mij. Mijn generatie, de ‘ik-generatie’, waarvan de definitie luidt dat die gekarakteriseerd wordt door egoïsme en materialisme. Ja, misschien kunnen we iets leren van mijn moeder, Theo, en andere paradijsvogels van die goede oude tijd.

Sarah Hildering